Uitspraak in het bouwgeschil ‘Residentie Platanus’ (Sint-Truiden)

16/07/2026

De ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Hasselt, sprak het vonnis uit met betrekking tot Residentie Platanus in Sint-Truiden. Residentie Platanus bestaat uit drie blokken, en omvat 25 appartementen, ondergrondse bergingen, kelders, garages en parkings. Deze appartementen werden opgeleverd in de loop van 2014 en 2015 en allemaal verkocht onder de wet Breyne, door bouwpromotor Opzet. Bijzonder aan dit project was dat het werd opgetrokken in houtbouw (CLT-platen en SIP-wanden), een bouwwijze die toen nog niet was ingeburgerd.

Tussen 2016 en 2018 werden enkele kleine mankementen vastgesteld aan de appartementen, waaronder lekken. Vervolgens begonnen enkele terrassen door te buigen.

In 2019 dagvaardden een deel van de eigenaars Opzet en stelde de rechtbank een deskundige aan. In de loop van deze procedure werden ook de overige eigenaars, de architect, diens verzekeraar en de andere bouwpartners in de procedure betrokken. In 2021 verklaarde de Stad Sint-Truiden alle appartementen van de drie blokken onbewoonbaar. De deskundige legde een uitgebreid eindverslag neer in juni 2023, waarna alle partijen de mogelijkheid kregen hierover standpunt in te nemen. De rechtbank behandelde de zaak vanaf september 2025. Na enkele procedurele verwikkelingen onder meer door het faillissement van de bouwpromotor, nam de rechtbank nam de zaak — zowel die tussen de eigenaars van de appartementen enerzijds en de promotor en bouwpartners anderzijds, als die tussen de architect en diens verzekeraar — eind mei 2026 in beraad, en sprak op 16 juli 2026 het vonnis uit.

De rechtbank oordeelde dat de hoofdschade aan de appartementen te wijten was aan het blootstellen van de houten elementen aan de weersinvloeden, waardoor deze grote hoeveelheden vocht absorbeerden, waarna deze vervolgens, zonder enige droging, werden ingekapseld. Dit leidde tot bruinrot en verlies aan stabiliteit. De rechtbank stelde vast dat er geen gespecialiseerde hoofdaannemer werd aangesteld die de werf zou coördineren, zodat de promotor en architect daarvoor moesten instaan. De coördinatie van de werf en de werken werd waargenomen door de architect, die bepaalde wie welke prestaties wanneer moest leveren. De rechtbank stelt daarnaast vast dat er met de diverse aannemers die werken uitvoerden aan Residentie Platanus (en die niet gespecialiseerd waren in houtbouw) zelfs geen schriftelijke overeenkomsten werden gesloten. Er waren ook geen duidelijke plannen, uitvoeringsrichtlijnen of lastenboeken. Ook stelde de architect slechts één enkel werfverslag op. De verantwoordelijkheid voor dit alles ligt volgens de rechtbank volledig bij de promotor en de architect. De andere aannemers of bouwpartners worden niet aansprakelijk gehouden (met uitzondering van een aantal kleine nevenschades, die los staan van de hoofdschade die ertoe geleid heeft dat het pand onbewoonbaar werd verklaard).

Ten slotte oordeelt de rechtbank ook over de gehoudenheid van de verzekeraar van de architect. Deze verzekeraar was van mening dat alle schade aan alle appartementen te beschouwen was als één schadegeval. Het contractuele plafond van 500.000,00 euro per schadegeval zou daarom van toepassing zijn geweest op de volledige schade van alle eigenaars samen. De rechtbank oordeelt echter dat de schade aan de 25 appartementen en 4 garages en parkings 29 onderscheiden schadegevallen uitmaken. De verzekeraar moet daarom dekking verlenen met een maximum van (na indexatie) 624.228,40 euro per individueel schadegeval.

De eigenaars kunnen zich voor hun (hoofd)schade dus wenden tot de bouwpromotor (die echter failliet werd verklaard), de architect en diens verzekeraar.