Beklaagde veroordeeld wegens mensenhandel en zwartwerk
De correctionele rechtbank van Dendermonde heeft een beklaagde veroordeeld wegens onder andere mensenhandel, zwartwerk en het tewerkstellen van buitenlandse werknemers zonder verblijfsvergunning. De vrouw maakte schaamteloos gebruik van vluchtelingen door hen in te zetten als goedkope werkkrachten.
Feiten
Op 3 oktober 2017 werd de politie opgeroepen naar een adres in Sint-Niklaas. De agenten troffen in de woning gestapeld werkmateriaal en verschillende mannen zonder geldige verblijfsvergunning aan. De politie vermoedde dat er een bedrijf gevestigd was op dat adres, waarvan de beklaagde bestuurder was.
In de loop van het onderzoek verklaarden verschillende mannen dat ze door de beklaagde tewerk werden gesteld op diverse bouwwerven. Ze moesten zeven dagen per week meer dan 12 uur per dag werken, kregen amper of geen loon uitbetaald en leefden in armoedige omstandigheden in huurhuisjes of op de bouwwerven (vaak zonder water of elektriciteit). De mannen werden naar eigen zeggen door de beklaagde bedreigd als ze om hun loon vroegen. Velen onder hen beschikten als vluchteling niet over een geldige verblijfsvergunning.
Alle mannen die getuigden, duidden de beklaagde aan als de vrouw die hen rekruteerde, afspraken maakte over het uit te voeren werk, instructies gaf en besliste over het (niet) betalen van het loon. Geen van hen was officieel ingeschreven als werknemer (geen Dimona-aangifte).
Tenlasteleggingen
De beklaagde moest zich voor de rechtbank verantwoorden voor:
- Tewerkstelling van een buitenlandse onderdaan zonder verblijfsvergunning
- Geen of geen correcte Dimona-aangifte bij indiensttreding
- Niet (tijdig) uitbetalen van loon
- Oplichting in het sociaal strafrecht
- Mensenhandel met als doel de uitbuiting door arbeid en diensten met verzwarende omstandigheden
De feiten vonden plaats tussen 2017 en 2022.
Strafmaat
De rechtbank veroordeelde de beklaagde tot een gevangenisstraf van 3 jaar met uitstel voor een termijn van 5 jaar, en een geldboete van 112.000 euro waarvan 95.200 euro met uitstel voor een termijn van 3 jaar. Zij wordt voor een periode van 10 jaar uit haar burgerrechten ontzet.
De rechtbank houdt de beslissing over de ambtshalve veroordeling tot het betalen van de achterstallige bijdragen, de bijdrageopslagen en de verwijlinteresten aan de Rijksdienst voor de Sociale Zekerheid aan.
Aan de verschillende burgerlijke partijen moet de beklaagde een totale schadevergoeding van 322.960,56 euro en een totale rechtsplegingvergoeding van 28.350 euro betalen.
Motivering rechtbank
Bij haar beslissing hield de rechtbank rekening met volgende elementen:
- De beklaagde maakte schaamteloos gebruik van de betrokken mannen als goedkope werkkrachten. Door hen niet in te schrijven als werknemer, moest zij geen socialezekerheidsbijdragen betalen. Zo ontnam ze de betrokkenen niet alleen de sociale bescherming waarop ze recht hadden, maar deed ze andere bouwfirma’s die wel volgens de regels werken oneerlijke concurrentie aan.
- Er was bijgevolg voor de rechtbank zonder enige twijfel sprake van een tewerkstelling die in strijd was met de menselijke waardigheid. Zo verwees de rechtbank naar de veel te lage (soms zelfs onbestaande) verloning, de lange werkdagen, het gebrek aan sociale bescherming, de uitoefening van moreel geweld en de volledige afhankelijkheid wat betreft het vervoer en de slechte huisvestiging. De beklaagde toonde een totale minachting naar deze werknemers.
- De beklaagde maakte hierbij misbruik van de precaire (administratieve) toestand van de betrokkenen. De beklaagde ging ook specifiek op zoek, in opvangcentra, naar de meest kwetsbaren: zij die de taal niet spraken en zich in een precaire verblijfssituatie bevonden. Zij wees verschillende slachtoffers erop dat zij niet naar de politie konden gaan omdat zij in de illegaliteit verkeerden.
- Het strafrechtelijke verleden van de beklaagde. Zo werd zij reeds veroordeeld voor sociaalrechtelijke inbreuken en een faillissementsmisdrijf.