Vijftien beklaagden veroordeeld wegens kweken en bezit van cannabis
De rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Ieper heeft vijftien beklaagden veroordeeld wegens het telen en bezit van cannabis. De feiten vonden plaats in de kelders van de varkensstallen van een landbouwbedrijf. Volgens de rechtbank lieten de beklaagden zich enkel leiden door het vooruitzicht op groot en gemakkelijk geldgewin, zonder enig gewetensbezwaar over het bijzonder groot gevaar dat drugs meebrengt voor de volksgezondheid en de maatschappij.
Feiten
In juli 2023 doet de politie een inval op een landbouwbedrijf in Staden. Het landbouwersgezin verbouwde een kelder onder de varkensstallen en een loods om er van april 2021 tot juli 2023 cannabisplanten in te kweken. In totaal blijken vijftien personen en twee ondernemingen hierbij betrokken.
Tenlasteleggingen
Op basis van het gerechtelijk onderzoek moesten zeventien beklaagden zich verantwoorden voor volgende tenlasteleggingen:
-
Het nemen van voorbereidende handelingen met het oog op de onwettige aanmaak, de verkoop, de levering of het zich aanschaffen van een slaapmiddel, een verdovende substantie of psychotrope stof die een verslaving te weeg kunnen brengen. *
-
Het telen van planten waaruit slaapmiddelen, verdovende en andere psychotrope stoffen kunnen worden getrokken die een verslaving zouden kunnen bewerkstelligen.* Concreet ging het om het kweken van cannabis in de kweekkamers in de loods of op diverse plaatsen op het terrein, en het ter beschikking stellen van de noodzakelijke ruimtes hiervoor.
-
Het bezit van cannabis *
- Deel te hebben uitgemaakt van een vereniging (met het oog op de opbouw van een cannabisplantage en het kweken van cannabis) **
* Telkens met de verzwarende omstandigheid dat het misdrijf een daad van deelneming is aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging.
** Met de omstandigheid dat drie beklaagden in staat van wettelijke herhaling verkeerden.
Beoordeling schuldvraag
De rechtbank beoordeelde de feiten en kwam tot volgende conclusies:
Eerste beklaagde
De eerste beklaagde legde contacten met de zesde en zevende beklaagde om de kelder van de varkensstal in het landbouwbedrijf om te bouwen tot een cannabisplantage. Er werden vervolgens structurele verbouwingswerken uitgevoerd, waarvoor facturen werden betaald door de firma’s van het landbouwersgezin (vierde en vijfde beklaagde). Alle leden van het gezin waren hierbij betrokken (eerste – tweede – derde beklaagde). De eerste beklaagde heeft nadien op eigen houtje verder cannabis gekweekt.
Achtste beklaagde
Op 23 augustus 2021 kwamen de achtste en negende beklaagde tijdens een barbecue samen bij het landbouwersgezin om zeer gedetailleerd te praten over de verdere opbouw, kweek en oogst van een cannabisplantage. Tijdens de verbouwingswerken was de achtste beklaagde ingeschreven als werknemer bij de vierde beklaagde.
Negende beklaagde
De negende beklaagde is een ex-advocaat die het landbouwersgezin in contact heeft gebracht met de negende beklaagde, die ervaring had bij het oprichten en opbouwen van cannabisplantages. De achtste beklaagde heeft bijgevolg handelingen verricht in het kader van een vereniging.
Tiende en elfde beklaagde
De strafvordering tegen de tiende en elfde beklaagde werd onontvankelijk verklaard, aangezien beiden reeds voor deze feiten werden veroordeeld in een vonnis van 24 september 2025.
Twaalfde – dertiende – veertiende – vijftiende beklaagde
De twaalfde beklaagde was tussenpersoon en legde contacten met de dertiende beklaagde, die over de kennis en de contacten beschikte met betrekking tot de uitbating van cannabisplantages. Hij legde op zijn beurt contacten met de veertiende beklaagde die het transport van materiaal vanuit Nederland naar de cannabisplantage voorzag, en met de vijftiende beklaagde die onder meer elektriciteitswerken in de plantages uitvoerde.
Deze beklaagden organiseerden ook ontmoetingen en overlegmomenten met de eerste en derde beklaagde om bestellingen te plaatsen van grote hoeveelheden zaden/stekken van cannabisplanten. Er werden ook afspraken werden gemaakt voor de levering en het vervoer van materiaal en de bekomen oogsten.
Zestiende en zeventiende beklaagde
Deze beklaagden waren al jaren werkzaam bij het landbouwersgezin. Ze maakten mee de ruimtes klaar en knipten de oogst. De rechtbank achtte hun verklaring – dat zij niet wisten dat zij werkzaam waren in cannabisplantages – ongeloofwaardig.
Strafmaat
Eerste beklaagde
Een gevangenisstraf van vier jaar, waarvan twee jaar met uitstel voor een periode van vijf jaar. Een geldboete van 24.000 euro, waarvan 12.000 euro met uitstel voor een termijn van drie jaar. Een bedrag van 50.000 euro werd verbeurd verklaard.
Tweede beklaagde
Een werkstraf van 150 uur en een geldboete van 8.000 euro. Een bedrag van 20.000 euro werd verbeurd verklaard.
Derde beklaagde
Een gevangenisstraf van drie jaar, waarvan achttien maanden met uitstel voor een periode van vijf jaar en een geldboete van 8.000 euro. Een bedrag van 30.000 euro werd verbeurd verklaard.
Vierde en vijfde beklaagde
Beiden een geldboete van 24.000 euro, en een bedrag van 10.000 euro werd verbeurd verklaard.
Zesde en zevende beklaagde
Beiden een gevangenisstraf van acht maanden en een geldboete van 8.000 euro.
Achtste en twaalfde beklaagde
Elk een gevangenisstraf van twee jaar, waarvan één jaar met uitstel voor een periode van vijf jaar, en een geldboete van 8.000 euro. Een bedrag van 10.000 euro werd telkens verbeurd verklaard.
Negende beklaagde
Een werkstraf van 120 uur en een geldboete van 8.000 euro.
Dertiende beklaagde
Een gevangenisstraf van 1 jaar met uitstel voor een periode van vijf jaar, en een geldboete van 8.000 euro. Een bedrag van 10.000 euro werd verbeurd verklaard.
Veertiende beklaagde
Een gevangenisstraf van zes maanden, en een geldboete van 8.000 euro waarvan 500 euro met uitstel voor een termijn van drie jaar. Een bedrag van 12.000 euro werd verbeurd verklaard.
Vijftiende beklaagde
Een gevangenisstraf van 1 jaar met uitstel voor een periode van vijf jaar. Een geldboete van 8.000 euro, waarvan 500 euro met uitstel voor een termijn van drie jaar. Een bedrag van 1.000 euro werd verbeurd verklaard.
Zestiende en zeventiende beklaagde
Een gevangenisstraf van zes maanden met uitstel voor een termijn van vijf jaar, en een geldboete van 8.000 euro met uitstel voor een termijn van drie jaar.
Motivering rechtbank
Bij het bepalen van de strafmaat baseerde de rechtbank zich onder andere op volgende elementen:
- De aard, de objectieve ernst, het herhaald karakter en het aandeel van elk van de beklaagden in de feiten, net als de omstandigheden waarin deze werden gepleegd. Ze getuigen van een oneerlijke ingesteldheid en een gebrek aan normbesef.
- Het gegeven dat de beklaagden zich enkel lieten leiden door het vooruitzicht op groot en gemakkelijk geldgewin, zonder enig gewetensbezwaar over het bijzonder groot gevaar dat drugs meebrengt voor de volksgezondheid en de maatschappij. Dit geeft blijk van een antisociale persoonlijkheid en verregaande normvervaging.
- Het strafverleden van de beklaagden.
- Een werkstraf geeft voldoende uiting aan de maatschappelijke afkeuring ten aanzien van de overtreding van de strafwet, bevordert het herstel van het maatschappelijk evenwicht, bevordert de maatschappelijke rehabilitatie van de beklaagde en beschermt de maatschappij.