Vonnis in groot internationaal drugsdossier: rechtbank spreekt verval van de strafvordering uit wegens zwaarwichtige overschrijding van de redelijke termijn
De rechtbank van eerste aanleg Limburg heeft vandaag geoordeeld over een omvangrijk, internationaal strafdossier over de handel in drugsprecursoren, de productie van synthetische drugs en de export daarvan. Het dossier, dat in 2016 startte met een melding over verdachte bestellingen van chemicaliën, groeide uit tot een onderzoek naar meerdere, met elkaar verweven criminele organisaties. In totaal werden 31 beklaagden vervolgd van wie velen in Nederland wonen. Het federaal parket legde hen verschillende misdrijven ten laste: onder meer de ongeoorloofde handel in drugprecursoren, de productie van en handel in MDMA, amfetamine en cocaïne, het vervoer van verdovende middelen richting Malta, deelneming aan en leidinggeven aan criminele organisaties, en wapenfeiten. Verschillende beklaagden ondergingen in 2018 een voorlopige hechtenis tot twaalf maanden.
De rechtbank heeft de strafvordering ten aanzien van tweeëndertigste beklaagde onontvankelijk verklaard en ten aanzien alle overige beklaagden vervallen verklaard. Dat betekent dat er geen veroordelingen volgen, niet omdat de feiten onvoldoende bewezen zouden zijn (over de grond van de zaak werd niet geoordeeld), maar omwille van de praktische ontoegankelijkheid van de bewijsstukken, het non bis in idem-beginsel en de zwaarwichtige overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank oordeelt dat het verderzetten van de procedure "in geen enkel opzicht nog te verantwoorden is". De kosten van de vervolging legt de rechtbank ten laste van de Belgische Staat.
De beslissing van de rechtbank berust op de volgende drie samenhangende elementen:
1. Zwaarwichtige overschrijding van de redelijke termijn
De rechtbank stelt vast dat er tussen de eerste gerechtelijke tussenkomst in januari 2018 en het vonnis van vandaag bijna negen jaar is verstreken.
Dit tijdsverloop kan evenwel niet verklaard worden door de complexiteit van het dossier of door de gedragingen van de beklaagden. Het actieve onderzoek van de federale gerechtelijke politie was immers al in 2018 afgerond. Vervolgens stelt de rechtbank meerdere periodes van niet-verklaarbare stilstand vast, samen goed voor bijna vijf jaar: één jaar stilstand tussen mei 2019 en mei 2020, daarna nog acht maanden tot februari 2021, en vervolgens meer dan drie volle jaren tussen de beschikking tot mededeling van het dossier in februari 2021 en de effectieve start van de controle door de kamer van inbeschuldigingstelling in maart 2024. Ter vergelijking: het eigenlijke onderzoek duurde amper twee jaar.
Ook het Openbaar Ministerie erkende dat de redelijke termijn voor alle beklaagden is overschreden, waaraan volgens het Openbaar Ministerie zou kunnen worden geremedieerd door een reductie van 24 maanden op de uit te spreken gevangenisstraf. De verwijzingen naar het personeelstekort en een hoge werklast zijn dan wel realiteiten voor justitie, doch deze werden door de rechtbank niet als een rechtvaardiging weerhouden.
De rechtbank neemt naast de aan de orde zijnde belangen in deze zaak ook de concrete omstandigheden van de beklaagden mee in overweging. Negen van hen zijn inmiddels ouder dan 65 jaar, sommige beklaagden kampen thans met ernstige gezondheidsproblemen of lijken hun leven na de feiten te hebben hervat zonder nieuwe veroordelingen. Bijna alle beklaagden ondergingen reeds een voorlopige hechtenis.
De rechtbank verwijst daarbij ook naar de doelstellingen van de straf zoals gestipuleerd in artikel 27 Sw., waarbij de 'boetedoening' of het pad van de vergeldende bestraffing werd verlaten. De doelstellingen die in het huidige strafwetboek worden nagestreefd (maatschappelijke afkeuring, rehabilitatie en re-integratie van de dader, het beschermen van de maatschappij, …) zijn niet meer aan de orde door het verstrijken van de jaren en de schijnbaar positieve evolutie bij beklaagden.
In afgesplitste deeldossiers in binnen- en buitenland werden jaren geleden al definitieve beslissingen genomen over feiten binnen hetzelfde tijdskader.
2. Praktisch ontoegankelijke overtuigingsstukken
Het strafonderzoek steunde in heel grote mate op afluistermaatregelen: meer dan honderd telefoonnummers werden maandenlang getapt, waarnaast er direct werd afgeluisterd in woningen en voertuigen. De rechtbank stelt vast dat deze bewijsgaring inzake het afluisteren een determinerend bewijs vormt in deze zaak.
Dat bewijs blijkt in de praktijk echter nauwelijks raadpleegbaar. De getapte gesprekken, goed voor ongeveer 2,7 terabyte aan data over honderden mappen, bleken eerst technisch onleesbaar en zijn nadat hieraan werd verholpen maar beperkt consulteerbaar gebleken. De computers ter beschikking van de rechtbank en de verdediging zijn niet krachtig genoeg om de data op een efficiënte wijze binnen een aanvaardbaar tijdsbestek te doorzoeken.
Het voorgaande is het gevolg van het gebrek aan ter beschikking gestelde werkingsmiddelen en is geenszins te wijten aan de houding van de met het onderzoek, de opsporing, de vervolging en de berechting belaste instanties, nu het Openbaar Ministerie, de politie en de rechtbank er alles aan hebben gedaan om het recht op een eerlijk proces te waarborgen, waardoor er evenwel onnodig véél tijd en capaciteit verloren is gegaan.
De rechtbank beklemtoont het belang dat iedere beklaagde binnen een aanvaardbaar tijdsbestek de afgeluisterde gesprekken moet kunnen beluisteren om daarover tegenspraak te kunnen voeren hetgeen nu in ernstige mate wordt bemoeilijkt waardoor het recht van de verdediging louter denkbeeldig lijkt te worden.
3. Eerdere berechtingen en vervaagde verdedigingsmogelijkheden
De rechtbank stelt vast dat een aantal beklaagden in België en in Nederland reeds eerder en definitief is berecht voor feiten die geheel of gedeeltelijk samenvallen met de huidige tenlasteleggingen. Volgens het non bis in idem beginsel mag men niet tweemaal voor dezelfde feiten worden berecht. Voor sommige beklaagden kon zelfs niet worden nagegaan of een tweede vervolging voor dezelfde feiten niet eerder al tot een veroordeling heeft geleid, aangezien er voor bepaalde beklaagden wel werd verwezen naar deze veroordelingen doch deze beslissingen nooit aan de rechtbank werden overgemaakt. Zo verklaart de rechtbank de strafvordering reeds onontvankelijk voor wat betreft bepaalde tenlasteleggingen van de tweede en de zesde beklaagde, en houdt zij bij het vervalverdict en de conclusie dat het verderzetten van de procedure niet meer te verantwoorden was, ook rekening met de vroegere uitspraken, zoals de nieuwe strafwetgeving voorschrijft.
Bovendien oordeelt de rechtbank dat het verstrijken van de jaren de verdedigingsmogelijkheden van een aantal beklaagden ernstig en mogelijk onherstelbaar heeft aangetast. Enkele beklaagden werden nooit verhoord en namen pas in 2024 voor het eerst kennis van de beschuldigingen over feiten van op dat ogenblik bijna acht jaar geleden. Herinneringen (ook van getuigen) vervagen en documenten en data verdwijnen of men vergeet het mogelijke bestaan of de vindplaats ervan: de mogelijkheid om bewijs nog tegen te spreken wordt hierdoor op zeer ernstige wijze aangetast.
De rechtbank benadrukt dat het verval van de strafvordering een uitzonderlijke sanctie is, die slechts mag worden toegepast wanneer het verderzetten van de procedure "in geen enkel opzicht nog te verantwoorden is".
Het vonnis omvat geen oordeel over de ernst van de ten laste gelegde feiten alhoewel dit in de overweging van de aan de orde zijnde belangen tevens in aanmerking werd genomen. Het is een uitspraak over wat een rechtsstaat aan beklaagden verschuldigd is: een behandeling binnen een redelijke termijn en de reële mogelijkheid om zich te verdedigen.
Tegen deze uitspraak kan beroep worden aangetekend bij het hof van beroep Antwerpen.
Luc De Cleir
woordvoerder REA Limburg
Luc.DeCleir@just.fgov.be