De rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt heeft op 5 maart 2026 uitspraak gedaan in een burgerlijke procedure die was ingesteld door een grote groep obligatiehouders (meer dan honderd eisers). Zij vroegen samen meer dan 16 miljoen euro terug van twee voormalige bestuurders van de vennootschap die obligaties uitgaf binnen de Triamant-groep.
De eisers stelden dat zij vóór hun intekening op obligaties misleid zouden zijn door onjuiste of onvolledige informatie, onder meer over de aanwending van de middelen, de solvabiliteit en de waarborgen. Volgens hen hadden de bestuurders in de precontractuele fase (vóór het sluiten van de intekening) fouten begaan waardoor zij hun inleg dreigen te verliezen na het faillissement van de emittent.
De rechtbank oordeelde eerst dat er samenhang bestaat tussen de vorderingen van alle eisers. Dat laat toe om de zaken samen te behandelen en het risico op uiteenlopende juridische beoordelingen te vermijden. Tegelijk benadrukt de rechtbank dat het juridisch om afzonderlijke vorderingen blijft gaan: voor elke eiser moet apart worden nagegaan of de vordering ontvankelijk is en of ze bewezen is.
De rechtbank verklaarde zich internationaal, personeel, materieel en territoriaal bevoegd om van het dossier kennis te nemen. Zij wees onder meer af dat het geschil “automatisch” naar de ondernemingsrechtbank zou moeten omdat het over obligaties gaat: de vordering richtte zich niet tegen de emittent, maar tegen twee personen op basis van beweerde buitencontractuele (precontractuele) fouten.
De rechtbank verklaarde vervolgens dat een deel van de vorderingen niet ontvankelijk was, onder meer om deze redenen.
- Verjaring: voor vorderingen die verband houden met intekeningen van vóór een bepaalde datum oordeelde de rechtbank dat de vordering verjaard was. De rechtbank licht toe dat de precontractuele fase telkens eindigt bij de intekening; latere gebeurtenissen bij andere uitgiftes “verlengen” die termijn niet.
- Gebrek aan belang bij bepaalde eisers: de rechtbank oordeelde dat wie een obligatie later kreeg via schenking, niet automatisch het recht verwerft om schadevergoeding te vragen voor een precontractuele fout die (volgens de eisers) werd begaan tegenover de oorspronkelijke intekenaar.
- Bewindvoering: voor enkele eisers werd de vordering niet ontvankelijk verklaard omdat zij onder bewind stonden en niet (correct) in rechte werden vertegenwoordigd.
Voor de vorderingen die wel ontvankelijk waren, oordeelde de rechtbank dat zij ongegrond zijn.
De kern van de motivering is dat een precontractuele fout concreet moet worden bewezen voor de betrokken eiser(s), en beoordeeld moet worden op het moment van de intekening, niet op basis van feiten die pas later zijn gebeurd (zoals de latere financiële problemen of faillissementen binnen de groep).
Daarnaast stelt de rechtbank dat eisers onvoldoende aantonen op welke manier de bestuurders hen persoonlijk foutieve informatie zouden hebben verstrekt, of dat de verstrekte informatie als geheel ontoereikend was om de risico’s te begrijpen. De rechtbank hecht in het bijzonder belang aan de rol van de informatiememoranda bij de uitgiftes: zij maken deel uit van de precontractuele informatie waarop een kandidaat-intekenaar zich kan baseren. Bij het afsluiten van de overeenkomsten of het verlijden van de aktes bevestigden de eisers uitdrukkelijk de informatiememoranda ontvangen te hebben. De rechtbank kan niet vaststellen dat er in deze informatiememoranda fouten stonden.
De rechtbank wijst er ook op dat veel gevorderde schadeposten zoals terugbetaling van de inleg en rente in essentie voortvloeien uit contractuele verplichtingen van de emittent. In deze procedure werd de emittent niet aangesproken, maar twee personen op basis van beweerde buitencontractuele aansprakelijkheid. Dat onderscheid speelt volgens de rechtbank een belangrijke rol in de beoordeling.
De rechtbank veroordeelde de eisers tot de kosten van het geding. Zij oordeelt dat hoewel samenhang werd aanvaard de verweerders zich tegen elke vordering afzonderlijk moesten verdedigen. Daarom wordt per eiser een rechtsplegingsvergoeding vastgesteld (te betalen aan elke verweerder), berekend op basis van de waarde van de individuele vordering. Daarnaast werden de eisers solidair veroordeeld tot betaling van de rolrechten.
Luc De Cleir
woordvoerder REA Limburg
0472/90.13.56