Op 18 maart 2026 heeft de rechtbank van eerste aanleg Limburg in een omvangrijk strafdossier uitspraak gedaan met betrekking tot een grootschalige criminele organisatie die zich onder meer bezighield met cannabisteelt, verkoop van cannabis en geweldfeiten. Daarnaast was er sprake van een vereniging actief in de handel van cocaïne en cannabis en van witwasmisdrijven. Het dossier telde in totaal 46 beklaagden en werd behandeld over meerdere zittingsdagen in januari 2026.
Uit het strafdossier bleek dat de criminele organisatie op een gestructureerde en professionele manier opereerde. Via versleutelde Sky ECC-communicatie werd gesproken over onder meer plantages, oogsten, gewichten, winstverdelingen en geldstromen. De rechtbank leidde onder andere daaruit af dat verschillende beklaagden betrokken waren bij het opzetten, uitbaten en ondersteunen van meerdere cannabisplantages, alsook bij het verwerken en verhandelen van de opbrengsten.
De rechtbank acht het bewezen dat door de criminele organisatie op meerdere locaties cannabis werd geteeld, en dat er op de meeste locaties daarbij meerdere oogsten werden gerealiseerd. De criminele omzet van deze activiteit is 1.219.180 euro, zo berekent de rechtbank.
De zwaarste straffen werden door de rechtbank uitgesproken tegen de kopstukken van de organisatie. De rechtbank veroordeelt hen onder andere voor het leiden van de cannabisplantages, handel in cannabis, opzettelijke slagen en verwondingen, het gevangenhouden van personen en diefstal van elektriciteit en water. Eerste beklaagde R.V. werd als leider van de criminele organisatie veroordeeld tot 8 jaar gevangenisstraf en een geldboete van 40.000 euro, naast de verbeurdverklaring van een vermogensvoordeel van 365.340 euro.
De tweede leider van de criminele organisatie, tweede beklaagde M.F. kreeg eveneens 8 jaar gevangenisstraf en een geldboete van 40.000 euro, met daarnaast een verbeurdverklaring van 365.340 euro aan vermogensvoordeel en een Porsche.
Drie beklaagden werden veroordeeld onder andere als beslissingsnemer binnen de criminele organisatie. Derde beklaagde G.V. kreeg, bovenop een recente veroordeling door de rechtbank voor gelijkaardige feiten van 5 jaar gevangenisstraf, een bijkomende straf van 3 jaar gevangenisstraf en 8.000 euro boete, plus een verbeurdverklaring van 160.000 euro.
Vierde beklaagde A.Z. werd veroordeeld tot 7 jaar gevangenisstraf en een geldboete van 24.000 euro, alsook een verbeurdverklaring van 80.000 euro.
Vijfde beklaagde L.D. werd eerder door de rechtbank in 2023 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden deels met uitstel voor gelijkaardige en vermengde feiten. De rechtbank legt nu een bijkomende bestraffing op van 4 jaar gevangenisstraf en 12.000 euro boete. Ook wordt er voor 67.000 euro verbeurd verklaard.
Voor andere beklaagden als leden van of betrokkenen bij de criminele organisatie sprak de rechtbank lagere gevangenisstraffen, voor sommigen (gedeeltelijk) met uitstel, en geldboetes uit, afhankelijk van hun concrete rol in het dossier. Ook lastens hen werden verschillende vermogensvoordelen, in totaal voor nog eens meer dan 180.000 euro verbeurdverklaard.
Wat betreft de vereniging actief in de handel van cocaïne en cannabis veroordeelde de rechtbank de leiders ervan tot een gevangenisstraf van 5 jaar (zestiende beklaagde M.J.) en 6 jaar (zeventiende beklaagde W.J.). De overige leden van deze vereniging werden lagere gevangenisstraffen of werkstraffen van 100 tot 140 uren opgelegd. Gezien het nagestreefde winstbejag werd aan de leden van de vereniging ook telkens een geldboete van 8.000 tot 24.000 euro opgelegd.
Aan de beklaagden die enkel werden vervolgd en schuldig bevonden aan een witwasmisdrijf, werd afhankelijk van hun strafrechtelijke voorgaanden en huidige persoonlijke situatie een opschorting met een proeftijd van vijf jaar toegekend, dan wel een werkstraf van 80 uren of een gevangenisstraf van 6 tot 12 maanden opgelegd. Naar aanleiding van de witwasmisdrijven verklaarde rechtbank ook een bedrag van in totaal meer dan 60.000 euro verbeurd.
De rechtbank boog zich daarnaast over verschillende procedurele betwistingen. Zo werd onder meer aangevoerd dat de ontsleutelde Sky ECC-communicatie onbetrouwbaar of onvolledig zou zijn en dat het recht op een eerlijk proces geschonden was. Er werd door een partij aangehaald dat niet alle gegevens van het Sky ECC-dossier gevoegd zijn, en dat zo het recht op een eerlijk proces zou geschonden zijn, meer bepaald het recht op tegenspraak en wapengelijkheid. De verdediging haalde aan dat alle gegevens van het ‘moederdossier’ zouden moeten worden toegevoegd, zodat de verdediging kan controleren in hoeverre het onderzoek ook à décharge werd gevoerd.
De rechtbank volgde die redenering niet. De rechtbank benadrukt dat het Openbaar Ministerie gehouden is alle elementen à charge en à décharge mee te delen en hierin vermoed wordt loyaal te zijn. Het loyaliteitsbeginsel houdt eveneens in dat, wanneer het Openbaar Ministerie om redenen van privacy of onderzoeksgeheim enkel een selectie van in een ander onderzoeksdossier aanwezige bewijsgegevens aan het strafdossier kan toevoegen, die selectie ook alle relevante gegevens à décharge bevat. De loyaliteit van het Openbaar Ministerie wordt vermoed, maar beklaagden kunnen aannemelijk maken dat dit in een bepaald geval niet werd geëerbiedigd en dat hun recht op een eerlijk proces daardoor werd aangetast.
De rechtbank oordeelde dat het dossier voldoende elementen bevatte om de wettigheid en betrouwbaarheid van het bewijs te beoordelen en dat de verdediging voldoende mogelijkheid had gehad om daarover tegenspraak te voeren. Volgens de rechtbank was er ook geen sprake van onregelmatig verkregen bewijs.
Ook over de redelijke termijn sprak de rechtbank zich uit. Zij stelde vast dat er niettegenstaande de aard en complexiteit van het dossier een, weliswaar beperkte, overschrijding van de redelijke termijn was, onder meer wegens een periode van inactiviteit gedurende meer dan 13 maanden. Die overschrijding was volgens de rechtbank echter slechts in beperkte mate van aard om door te wegen. Zij leidde niet tot het verval van de strafvordering of tot een eenvoudige schuldigverklaring, maar werd wel mee in rekening genomen bij het bepalen van de strafmaat. Concreet kon dat voor beklaagden zonder eerdere correctionele veroordelingen en afhankelijk van hun rol in het dossier aanleiding geven tot een mildere bestraffing, zoals opschorting, uitstel of een werkstraf.
Met dit vonnis benadrukt de rechtbank dat grootschalige en professioneel georganiseerde drugcriminaliteit streng wordt bestraft, maar ook dat in een complex dossier voor elke beklaagde afzonderlijk een geïndividualiseerde beoordeling vereist blijft, rekening houdend met de precieze rol, voorgaanden, de context van de zaak, de persoonlijkheid en levensomstandigheden van de beklaagden.
Luc De Cleir
woordvoerder REA Limburg
0472/90.13.56
Luc.DeCleir@just.fgov.be