09/09/2026

De rechtbank van eerste aanleg Leuven heeft haar werkwijze aangepast om de continuïteit van de dienstverlening te blijven waarborgen. Voor rechtszoekenden betekent dit dat langere wachttijden in de komende maanden in vele gevallen onvermijdelijk zijn. Deze aanpassing is noodzakelijk om het ernstige tekort aan rechters op te vangen. De rechtbank beseft dat de huidige situatie maatschappelijk niet aanvaardbaar is en werkt achter de schermen volop mee aan (structurele) oplossingen. Ze benadrukt daarbij wel dat ze slechts in beperkte mate invloed heeft op deze (personeels)problematiek en op de bijhorende toegang tot duurzame oplossingen. 

Structureel tekort 

Voor de rechtbank van eerste aanleg Leuven is wettelijk vastgelegd dat maximaal 25 rechters kunnen worden benoemd. Daarmee is de rechtbank relatief karig bedeeld: er is één rechter per 21.241 inwoners. Ter vergelijking: het nationaal gemiddelde bedraagt één rechter per 14.880 inwoners. Indien de REA Leuven over evenveel rechters zou beschikken als het nationale gemiddelde, zou het kader meer dan 35 rechters omvatten.

De gevolgen van deze onderbezetting zijn het meest zichtbaar bij de burgerlijke rechtbank en bij de familierechtbank:

  • De burgerlijke rechtbank behandelt het grootste aantal dossiers binnen de rechtbank. Het aantal hangende zaken steeg de voorbije vijf jaar met 25 procent, zonder dat daar extra middelen tegenover stonden.
  • De familierechtbank behandelt vaak emotioneel beladen dossiers. Ze zet daarbij sterk in op het participatiemodel als alternatief voor het klassieke conflictmodel. Dat leidt doorgaans tot betere en duurzamere resultaten, maar vergt aanzienlijk meer tijd en inzet.
Tijdelijke maatregelen

De rechtbank van eerste aanleg is daarom genoodzaakt haar werking aan te passen, zodat de rechtbank operationeel kan blijven én de huidige medewerkers niet nog verder overbelast raken. Deze aanpassing heeft betrekking op de werking van de hele rechtbank, waaronder de familie- en jeugdrechtbank, de burgerlijke rechtbank en de correctionele rechtbank.

Meer concreet zullen er tijdelijk minder zittingskamers beschikbaar zijn, zodat de continuïteit van de werking van de rechtbank als geheel kan worden gegarandeerd. Daardoor zullen de wachttijden voor rechtszoekenden in vele gevallen oplopen. Hoe sterk die toename zal zijn, verschilt per sectie en per zaak (zie verder).

De rechtbank zal hierover nog afzonderlijk communiceren met betrokken rechtszoekenden en hun advocaten, onder meer via een toelichting in de oproepingsbrieven.

De rechtbank benadrukt daarbij wel dat ze in strafzaken voorrang blijft geven aan dossiers met aangehouden verdachten en aan zaken met een grote impact op de slachtoffers of de samenleving, zoals ernstige zedendelicten. Deze dossiers worden prioritair behandeld. 

Oplossingen

De rechtbank werkt momenteel volop aan oplossingen. Zo zal zij rechtszoekenden de komende maanden bijkomend wijzen op de mogelijkheden van bemiddeling in burgerlijke en familiezaken. Ook voorziet zij de aanwerving van minstens 1 bijkomende rechter. 

Daarnaast benadrukt de rechtbank de nood aan structurele oplossingen op middellange en lange termijn. Achter de schermen werkt ze actief mee aan dergelijke oplossingen, al heeft ze er slechts in beperkte mate invloed op. 

Wat betekent dit voor u als rechtszoekende? 

De indicatieve vaststellingstermijn (eerst mogelijke pleitdatum) voor nieuwe zaken zijn momenteel als volgt:

  • Kamer B3: 1 jaar. Deze kamer neemt kennis van de hogere beroepen tegen de vonnissen van het vredegerecht, behalve van deze die behoren tot de bevoegdheid van de familierechtbank: 
  • Kamer B4: 1 jaar.  Deze kamer neemt kennis van de hogere beroepen tegen de burgerlijke vonnissen van de politierechtbank
  • Kamer B5: 4,5 jaar. Deze kamer neemt kennis van alle vorderingen en betwistingen inzake fiscale zaken.
  • Kamer B6: 0,5 jaar. Deze kamer neemt kennis van alle vorderingen die behoren tot de bevoegdheid van de beslagrechter, waaronder de vorderingen inzake bewarende beslagen en middelen tot tenuitvoerlegging en inzake de pogingen tot minnelijke schikkingen overeenkomstig artikel VII.147/24 van het Wetboek van Economisch Recht. 
  • Kamer B9: 3,5 jaar. De algemeen burgerlijke kamer: deze kamer neemt kennis van burgerlijke zaken, die niet behoren tot de bevoegdheid van de overige kamers. 
  • Kamer B10 en B11: 3,5 jaar. Deze beide kamers behandelen voornamelijk bouwdossiers.

De uitspraak in eerste aanleg volgt doorgaans pas twee jaar of langer na de feiten. Uitzonderingen zijn zaken met aangehouden verdachten en dossiers die een grote maatschappelijke impact hebben. Het gaat dan bijvoorbeeld om zedendelicten, ernstige geweldfeiten en dossiers rond georganiseerde criminaliteit. Deze zaken krijgen voorrang, met de bedoeling om uiterlijk binnen het jaar na de inleiding van de zaak bij de rechtbank tot een uitspraak in eerste aanleg te komen.        

Voor de diverse kamers van de jeugd- en familierechtbank gelden volgende termijnen: 

  • Voor de kamers F1 en F7 tot en met F10 bedraagt de inleidingstermijn (de periode tussen het neerleggen van het verzoekschrift en de inleidende zitting) minstens 15 weken. De termijn tussen de inleidende zitting en de pleitzitting ligt ongeveer tussen 8 maanden en 1 jaar.
    Deze kamers behandelen in hoofdzaak echtscheidingsvorderingen, maatregelen tussen gehuwden en wettelijk samenwonenden, en vorderingen inzake de verblijfsregeling en de financiële regeling voor de kinderen.
     
  • Voor kamer F5 (de vereffeningskamer) geldt een inleidingstermijn van ongeveer vier tot zes weken voor lopende vereffeningen en verdelingen die (opnieuw) aanhangig worden gemaakt door de notaris‑vereffenaar of één van de partijen, met het oog op de beslechting van een incident of (tussen)geschil.
    Voor zaken die niet onmiddellijk of op een nabije zitting kunnen worden behandeld bij korte debatten, bedraagt de termijn tussen de inleidende zitting en de pleitzitting circa 13 tot 14 maanden voor de behandeling ten gronde.
     
  • Voor de overige kamers van de familie‑ en jeugdrechtbank worden geen bijkomende wachttijden verwacht. Dit is het geval voor kamer F2 (echtscheidingen door onderlinge toestemming), kamer F3 (hoger beroep tegen vonnissen van de vredegerechten in familiezaken en het hoger beroep inzake collocaties), kamer F4 (voornamelijk adoptie, schijnhuwelijken en vervangende akten) en kamer F11 (homologatie van akkoorden).