De rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk heeft vijf beklaagden veroordeeld wegens onder andere het uitvoeren van verhardingswerken zonder vergunning en inbreuken op het decreet onroerend erfgoed. De feiten hadden betrekking op een terrein dat was gelegen in het beschermd landschap ‘omgeving Fort Napoleon’ te Oostende waarop een algemeen bouwverbod rust.
Feiten
Een bekende bouwonderneming uit regio Oostende werd vanaf 5 mei 2020 eigenaar van een terrein op de Oosteroever in Oostende. Dit terrein was gelegen in het beschermd landschap ‘omgeving Fort Napoleon’ waarop een algemeen bouwverbod rust.
Diverse beklaagden hebben op dit terrein vervolgens afsluitingen geplaatst en publiciteit aangebracht. Daarnaast werd grond afgegraven en verhardingswerken uitgevoerd met gebroken steenpuin. Voor geen enkele van deze activiteiten beschikten de beklaagden over een geldige vergunning. Ondanks een stakingsbevel en diverse schriftelijke aanmaningen werden de verhardingswerken zelfs enige verder gezet.
Tenlasteleggingen
Vijf beklaagden (twee natuurlijke personen en drie ondernemingen) moesten zich voor de rechtbank verantwoorden voor onder andere:
-
optrekken of plaatsen van een constructie zonder of in strijd met een geldige vergunning
-
functioneel samenbrengen van materialen tot constructie zonder of in strijd met een geldige vergunning
- aanmerkelijk wijzigen van het reliëf van de bodem zonder of in strijd met een geldige vergunning
- gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van grond voor opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen, allerlei materialen, materieel of afval zonder of in strijd met een geldige vergunning
- plaatsen of wijzigen van publiciteitsinrichtingen of uithangborden zonder of in strijd met een geldige vergunning
- negeren van een stakingsbevel
- inbreuken op het vlak van onroerend erfgoed
Verweer beklaagden
Tijdens zijn verhoor verklaarde de derde beklaagde dat het terrein na aankoop werd omheind. Hij achtte dit noodzakelijk uit veiligheidsoverwegingen, en was in de overtuiging dat er een afsluiting mocht worden geplaatst en hiervoor geen vergunning nodig was.
De verhardingswerken werden uitgevoerd om de hinder van grote zandhopen weg te nemen – zandhopen die waren ontstaan door werken aan het openbaar domein, namelijk de aanleg van de “cityriver” in de Victorialaan waarbij de aannemer had gevraagd of het terrein ter beschikking kon worden gesteld voor de tijdelijke opslag van zand. Om de overheid te helpen, had de derde beklaagde dit toegestaan. Samen met de vijfde beklaagde betwistte hij overigens dat het terrein verhard werd. Er was volgen hen louter sprake van een water- en wortel doorlatende toplaag met steenslag dat opwaaiend zand vermeed.
De vijfde beklaagde stelde dat de uitgevoerde werkzaamheden het beschermde landschap niet ontsierden, beschadigden of vernielden. Volgens de vijfde beklaagde ging het om werken op maaiveldniveau.
Vrijspraak voor stakingsbevel
De derde, vierde en vijfde beklaagde stelden dat het stakingsbevel niet tijdig werd bekrachtigd door de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur waardoor het vervallen was. Dit werd door de rechtbank bevestigd, waardoor zij werden vrijgesproken voor deze tenlastelegging.
Beoordeling schuldvraag
De rechtbank achtte de overige tenlasteleggingen bewezen, en baseerde zich hierbij onder andere op volgende elementen:
Eerste beklaagde (Vuurtorendok nv) en tweede beklaagde (Versluys Invest nv)
De tweede beklaagde is bestuurder en gedelegeerd bestuurder van de eerste beklaagde, die sinds 5 mei 2020 eigenaar is van de betrokken gronden aan de Fortstraat te Oostende.
Vanuit die hoedanigheid heeft de eerste beklaagde aanvaard dat de vermelde tenlasteleggingen werden gepleegd. In de gegeven omstandigheden kon de eerste beklaagde zich niet beroepen op onwetendheid.
Binnen beide vennootschappen was er een gebrek aan aandacht voor de regelgeving inzake ruimtelijke ordening, wat een eigen strafrechtelijke fout van de vennootschappen uitmaakt. De ten laste gelegde feiten zijn hen materieel toerekenbaar.
Derde beklaagde
De derde beklaagde was duidelijk betrokken bij de bedrijfsvoering, en had beslissingsbevoegdheid inzake ruimtelijke ordening. Omdat hij voldoende vertrouwd is met bouw- en investeringsprojecten kon hij zich in de gegeven omstandigheden niet beroepen op onoverwinnelijke onwetendheid of dwaling. De beklaagde had zich op zijn minst op voorhand kunnen en moeten informeren over de wettelijke bepalingen die hij moest naleven. Hij heeft nagelaten dit te doen.
Vierde beklaagde (Verhelst Aannemingen nv)
De vierde beklaagde was uitvoerder van de verhardingswerken op de betrokken site. De rechtbank is van oordeel dat de beklaagde het reliëf van het terrein aanmerkelijk heeft gewijzigd, door steenpuin over de volledige oppervlakte van het terrein te storten en dit aan te walsen. Dit steenpuin betreft een verharding waarvoor geen omgevingsvergunning werd verleend. Het feit of de aangewalste puinlaag al dan niet water doorlaat, doet hieraan geen afbreuk aangezien de natuurlijke bodem werd afgedekt. Door het terrein via de verharding in te richten met het oog op het opslaan van materialen, werd ook de bestemming van het terrein gewijzigd.
Vijfde beklaagde
De vijfde beklaagde vertegenwoordigde als leidinggevende de vierde beklaagde bij het afsluiten en ondertekenen van de aannemingsovereenkomst. Hij was zo verantwoordelijk voor een deel van de infrastructuurwerken en de grondwerken die de vierde beklaagde uitvoerde. Net als de derde beklaagde was de vijfde beklaagde voldoende vertrouwd met bouw- en investeringsprojecten, waardoor hij zich in de gegeven omstandigheden niet kon beroepen op onoverwinnelijke onwetendheid of dwaling. De beklaagde had op zijn minst zich op voorhand kunnen en moeten informeren over de wettelijke bepalingen die hij moest naleven. Hij heeft nagelaten dit te doen.
Volgens de rechtbank zijn alle beklaagden ook schuldig aan inbreuken op het decreet Onroerend Erfgoed. Het landschap van de beschermde omgeving ‘Fort Napoleon’ werd door de verharding, de aanwezige vlaggenmasten en het publiciteitsbord ontsierd.
Strafmaat
Overschrijding redelijke termijn
Volgens de beklaagden was er sprake van overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelde vast dat er tijdens het gerechtelijk onderzoek twee perioden van te lange en onverantwoorde stilstand hebben plaatsgevonden, die niet aan de beklaagden te wijten zijn. Als gevolg hiervan heeft de rechtbank de opgelegde straffen verminderd.
Eerste en tweede beklaagde
Elk een geldboete van 44.000 euro.
Derde beklaagde
Een geldboete van 20.000 euro (bij niet betaling binnen de wettelijke termijn wordt deze vervangen door een gevangenisstraf van 90 dagen).
Vierde beklaagde
Een geldboete van 32.000 euro.
Vijfde beklaagde
Een geldboete van 10.000 euro (bij niet betaling binnen de wettelijke termijn wordt deze vervangen door een gevangenisstraf van 50 dagen).
Daarnaast beveelt de rechtbank het herstel van het perceel in de oorspronkelijke staat door het verwijderen van de afbraakmaterialen, de betonnen sokkels van de vlaggen en de Heras-afsluitingen, en dit binnen een termijn van vier maanden met een dwangsom van 500 euro per dag vertraging.
Motivering rechtbank
Bij het bepalen van de strafmaat hield de rechtbank onder meer rekening met:
- De aard en de ernst van de feiten
-
Het gebrek aan respect voor de morele, sociale en economische waarden in de samenleving.
-
Het feit dat de beklaagden hun eigen belangen boven het algemeen belang en het belang van anderen hebben gesteld.
-
Het gebrek aan respect voor de naleving van de reglementering betreffende de ruimtelijke ordening en onroerend erfgoed.
-
Het feit dat er initiatieven werden genomen tot verwijdering van het aangewalst steenpuin.
-
Het blanco strafverleden van de beklaagden.